Artikel

De wettelijke ondergrens

Als wethouder pleitte ik ooit bij de Nederlandse Sportraad (NLsportraad) tégen een wettelijke ondergrens voor sport. Twee weken geleden verwierp de Tweede Kamer nipt een motie van Corrie van Brenk voor een landelijke ondergrens in de mantelzorgondersteuning, en juist daarvan baalde ik.

Ja, ik weet hoe dat klinkt. Tegen zo'n norm bij sport, en balen als er bij mantelzorg geen komt. Toch is dat geen tegenspraak.

De vraag naar een wettelijke ondergrens speelt zo nu en dan. Bij sport speelde die, en toen was ik er kritisch op. Want een ondergrens klinkt als bescherming, maar werkt ook vaak als plafond.

Een wettelijk minimum moet passen op de gemeente die het minst doet én op de gemeente die het meest doet. Het anker gaat dan altijd naar de kleinste gemene deler. Waar al een rijke infrastructuur staat, in jaren opgebouwd, betekent dat op termijn een stap terug. Niet uit onwil, maar omdat het minimum de norm wordt. Ik zag het al diverse keren gebeuren in verschillende raadsdebatten. En zodra dat gebeurt, verschuift het gesprek van "wat kunnen we bereiken" naar "wat moeten we minimaal doen". Zo verarmt een ondergrens precies het beleid dat hij zou moeten beschermen.

Wat is dan het verschil met mantelzorg? Niet mijn principe. Het instrument is identiek. Wat verschilt, is de grond waarop het landt.

Bij sport lag er een hoge bodem waar een minimum overheen zou walsen. Naar beneden ankeren was daar verlies. Bij mantelzorg wijst datzelfde anker de andere kant op, gewoon omdat er bijna niets ligt om naar beneden te trekken.

Ik zie te veel gemeenten waar het wiel elk jaar opnieuw wordt uitgevonden, waar te weinig geld is voor mantelzorgconsulenten, en waar een bloemetje en een lunch per jaar al doorgaan voor het invullen van je verantwoordelijkheid. Dat is geen ondergrens. Dat is een plafond dat toevallig heel laag hangt. Een minimum kan het daar niet slechter maken. Het kan het alleen optillen.

Nu hoor ik de tegenwerpingen al, want ik heb ze zelf ook gebruikt. "Een norm wordt vanzelf weer een plafond." Klopt. Het is dus ook tijd voor een fatsoenlijke ondergrens. Een plafond boven een vloer van bijna niets is nog altijd een enorme sprong voor wie nu buiten de boot valt.

"Maatwerk is beter dan uniformiteit." Ook waar. Alleen verbiedt een bodem niets bóven de lijn. Zonder bodem is het geen maatwerk, maar een loterij op postcode.

"Een norm kost geld dat we niet hebben." Dat argument verbaast me het meest, want niets doen kost meer.

Zo werkt het namelijk. Het kaartenhuis dat we zorg en gezondheid noemen, leunt op mensen die thuis zorgen voor familie, vrienden en buren. Het grootste deel van de langdurige zorg vindt niet plaats in instellingen, maar thuis. En van alle zorg die daar wordt geleverd, wordt naar schatting 70–80% uitgevoerd door familieleden, vrienden en buren. Professionele zorg ondersteunt, maar mantelzorg vormt de ruggengraat van het Nederlandse zorgsysteem. Trek die ene kaart weg en de rest zakt mee.

Veel mantelzorgers voelen de druk om alle ballen hoog te houden. Er zit voldoening in, iets betekenen voor iemand van wie je houdt. Maar een groot deel loopt tegen zijn grenzen aan, en zit er vaak al overheen. Te vaak zie ik wat daarop kan volgen. Overbelasting, uitval op het werk, geldzorgen, eigen gezondheidsklachten. En dan, wrang genoeg, vaak een grotere zorgvraag dan wanneer we op tijd waren bijgesprongen.

Een goede ondergrens voor mantelzorg is dan geen plafond, maar een echte bodem. Geen papieren minimum, maar de zekerheid dat elke mantelzorger, ongeacht postcode, kan rekenen op begrijpelijke informatie, een vast aanspreekpunt, en respijtzorg als het te zwaar wordt.

Het gros van de gemeenten schrijft inmiddels wel iéts op over mantelzorg. Maar iéts opschrijven is nog geen bodem. Van het schrijven van een kookboek krijg je nog geen gevulde maag. Gemeenten komen nog te weinig met boter bij de vis, of met een heldere lijn voor de toekomst.

Daarom ben ik juist op dit dossier een andere mening toegedaan. Niet omdat ik ineens in minimumnormen geloof, maar omdat een norm hier niets afvlakt en bijna alles optilt.

De vraag is niet óf we voor of tegen ondergrenzen zijn. Die vraag is te lui. De vraag is of we durven onderscheiden wanneer een ondergrens afvlakt en wanneer hij optilt.


Auteur

Erjen Derks
Deze pagina delen via