Voor pro

Kleine lessen voor een grote opgave: Hulp vragen niet vanzelfsprekend voor mantelzorgers

“We hoeven niet alle mantelzorgers in beeld te hebben. Als ze hulp nodig hebben, melden ze zich wel.”

Tijdens een kennismaking met een gemeente over het lokale mantelzorgbeleid zei een beleidsadviseur:
“We hebben weinig aanmeldingen en vragen van mantelzorgers, dus blijkbaar gaat het goed. Als ze hulp nodig hebben, weten ze ons wel te vinden.”

Een ogenschijnlijk onschuldig zinnetje, maar ik zat kort even met mijn mond vol tanden. Niet omdat het kwaadaardig bedoeld was, integendeel. Maar omdat dit idee, dat mensen zich vanzelf wel melden als het nodig is, in 2025 nog steeds leeft. Terwijl we juist beter zouden moeten weten. En omdat beleid van die gemeente wordt vormgegeven vanuit die overtuiging.

Gelukkig kom ik dit niet vaak tegen. Want alles wat ik hoor in gesprekken met mantelzorgconsulenten, beleidsmakers en zorgmedewerkers zegt het tegenovergestelde: Veel mantelzorgers vinden de weg naar ondersteuning níet.

Waarom hulp vragen niet vanzelfsprekend is

  • Omdat het formulier onbegrijpelijk is.
  • Omdat de term ‘mantelzorger’ niet resoneert want “ik zorg toch gewoon voor mijn moeder.”
  • Omdat folders in beleidstaal zijn geschreven, en niet in de taal van het dagelijks leven.
  • Omdat informatie versnippert is.
  • Omdat je op internet verdwaalt in een doolhof van websites en loketten, zonder ooit echt te landen.

En ook onderzoek laat zien: hier is nog een wereld te winnen. Het aantal hulpvragen als indicator gebruiken voor de kwaliteit van het beleid is zelfs ronduit riskant. Er rust nog steeds een taboe op het vragen van hulp. Eén op de drie mantelzorgers weet überhaupt niet welk probleem er op dat moment speelt. En dan moet je het ook nog eens kunnen verwoorden, weten waar je moet zijn, én het formulier vinden. Toeval is misschien de beste omschrijving van hoe we de vindbaarheid van informatie en hulp hebben ingericht.

Het statement over de positieve vertaling van het lage percentage mensen dat hulp gebruikt deed me denken aan mijn tijd als wethouder. Toen kreeg ik kritische raadsvragen over het percentage jongeren in beeld bij het CJG: zo’n 13% – rond het landelijk gemiddelde. Maar in de gemeente Staphorst lag het veel lager. “Dat kan toch niet?” zei de oppositie.

Ik beloofde op bezoek te gaan in Staphorst. Koffie met Alwin Mussche, toenmalig wethouder Jeugd.
Waar sommige gemeenten en media het lage percentage van jongeren die hulp vragen als succes verkochten, deelde hij juist zijn ongemak. Niet iedereen die hulp nodig heeft, vraagt erom. Niet iedereen weet de weg. Dat was zijn zorg. En daarop ging hij investeren. En terecht.

Die gedachte is vandaag actueler dan ooit. Zeker nu de druk op families toeneemt. We balanceren tussen werk, zorg voor een naaste, kinderen en een sociaal leven. Terwijl de vergrijzing toeneemt, het aantal mensen met een chronische aandoening stijgt en het personeelsbestand in de zorg afneemt.

De ironie is dat zelfs de beleidsadviseur uit het overleg later vertelde dat hij zelf mantelzorger is. Voor zijn ouder. En dat hij óók regelmatig verdwaalt in het woud van regelingen en loketten. Op mijn vraag of hij de mantelzorgwaardering van zijn eigen gemeente al had aangevraagd, begreep hij mijn punt. Nee.

Auteur

Erjen Derks
Deze pagina delen via
Copied!